Politieblog: ‘Ze gaat dood. Je moet sneller duwen!’ - GelreNieuws        

Politieblog: ‘Ze gaat dood. Je moet sneller duwen!’

Geplaatst op 13 april 2017, om 16:48 uur

foto:Politie.nlREGIO – ‘Ze gaat dood. Je moet sneller duwen!’ Ondanks dat het een geluidsband is, voel ik de paniek. ‘Ze ademt niet meer, het heeft geen zin.’ De stem van de man. Ik voel zijn machteloosheid, het verdriet, terwijl ik naar mijn scherm staar.’ Recherchekundige Tijs Maassen vertelt hoe hij geraakt wordt door een gesprek op band. Collega’s van hem spelen het af in een onderzoek naar de dood van een vrouw.

Ik zit te werken op een flexplek in een klein vierkant kamertje van een groot politiebureau. Twee bureaus; ik achter mijn laptop en een collega tegenover me. De deur van het kamertje staat open. Mensen lopen op de gang voorbij, maken een praatje bij de koffieautomaat of halen een printje op. Ik ben geconcentreerd aan het werk en me nauwelijks bewust van wat zich om mij heen afspeelt. Het gaat aan me voorbij.

Plotseling word ik wakker uit mijn concentratie. Ik hoor een vrouw praten. Rustig, maar gedecideerd. Ze stelt vragen aan een man. Een man in paniek. Het lijkt een telefoongesprek, maar het dringt nog niet goed tot me door. Ik probeer verder te werken, maar blijf onwillekeurig luisteren. Ik kan me er niet van afsluiten. Het geluid dringt zich aan me op.

Langzaam maar zeker word ik me meer bewust van mijn omgeving. Het geluid komt van de gang. Van één van de onderzoekskamers aan die gang waarschijnlijk. Daar moet een deur open staan. Collega’s hebben een geluidsfragment aangezet en dat geluid haalt mij uit mijn denkwereld. En het ontroert mij, zonder dat ik precies weet waarnaar ik luister.

‘Waar bent u?’ Hoor ik de vrouw vragen. ‘Wat is er precies gebeurd?’. En dan: ‘Ademt uw vrouw nog?’ Mijn gedachten zijn nu volledig bij dat gesprek. ‘Ze hapt naar adem, ik weet niet wat ik moet doen.’ Ik zie het voor me. Ik ben daar, bij die man. ‘Meneer, we zijn onderweg. U gaat nu reanimeren. Ik ga u vertellen wat u moet doen.’

Op de achtergrond een andere vrouw. ‘Ze gaat dood. Je moet sneller duwen!’ Ondanks dat het een geluidsband is, voel ik de paniek. ‘Ze ademt niet meer, het heeft geen zin.’ De stem van de man. Ik voel zijn machteloosheid, het verdriet, terwijl ik naar mijn scherm staar. Ik ben verbaasd dat het me zo raakt. ‘Meneer, de hulpdiensten zijn onderweg. Als het niet meer gaat, kunt u iemand vragen om het over te nemen.’

En dan ineens, luid en van dichterbij, uit diezelfde onderzoekskamer: ‘Nou, die heeft het niet gedaan.’ Rechercheurs waarschijnlijk, van het onderzoeksteam dat de dood van de vrouw onderzoekt. Mogelijk is er een vermoeden van een misdrijf. ‘Die is in paniek!’ Ik ben weer in de realiteit.

De rustige stem van vrouw van de meldkamer, het drama dat zich afspeelt over de telefoon, de ontroering die ik voel en het zakelijke commentaar van de rechercheurs. Vier werelden die allemaal werkelijk zijn op hetzelfde moment en toch zo ver uit elkaar liggen.

Ik moet denken aan de vrouw van de meldkamer. Hoe voelt zij zich na zo’n gesprek? Blijft ze net als ik nog even ontroerd achter haar computer zitten? Of belt meteen daarna de volgende? En wat als ze thuis is? Ze schenkt een wijntje in misschien, kijkt vast nog even televisie met haar man en gaat dan naar bed. Om de volgende dag weer net zo te kunnen handelen wanneer aan de andere kant van de lijn iemands wereld instort.